Een Venetië verhaal.

 In 2000 vlogen twee van onze Zwaluwen naar het Zuiden.

 

Dag 1.

Zondag 27 augustus van het jaar onzes heren 2000.

Tussen nogal wat ‘schoon’ volk, staan twee van onze “Zwaluwen” met hun gepoetst veloke op de Antwerpse Grote Markt. Thema: de start van een meerdaagse zuidwaartse fietstocht, die hen naar Venetië zal brengen.

Zoals het raspaardjes past, leidt hun nervositeit tot gemengde verwachtingen en gevoelens. Luc, die voor het eerst een dergelijke tocht onderneemt, hoopt stilletjes om onderweg niet af gaan. Hij vraagt zich af, hoe hij de kilometers van de volgende dagen zal verteren. Daarenboven speelt voor hem de angst voor het onbekende. Roland, met meer ervaring in dit werk, heeft ook zijn twijfels.

Na Parijs-Nice, welke hij midden juli fietste, heeft de curve van zijn conditie een flinke duik genomen.

Onder een druilerige morgenlucht valt het startschot, of beter het startsignaal. Het brengt onder begeleidend applaus van enkele tientallen supporters, het peloton in beweging. Tussen de opgekomen supporters ontwaren we ook “onze” Maurits. De ondervoorzitter speelt voor mentor en komt zijn poulains een hart onder de riem steken.  

 

We hadden het niet direct verwacht, maar blijkbaar zijn er deelnemers aan deze trip die eerst nog met de fiets moeten leren rijden. Hoe kan het anders, nauwelijks een paar honderd meter verder op de Groenplaats, liggen er immers al een paar tegen de – weliswaar natte - keien. Wij tellen drie slachtoffers, zonder ernstige lichamelijke letsels. Tenminste dat is de vluchtige diagnose die we als would-be dokter stellen. 

We doen Mechelen aan en bereiken via Leuven de Abdij van Vlierbeek. Een eerste stopplaats van de velen die nog zullen volgen. Controle van de picknickzakken.

 

 

Vermits de paters niet gebrand zijn op een intrede in hun orde, trekt de groep na het oponthoud richting Haspengouw. Na “le plat pays” van Jaques Brel komen er wat landschapsgolven in in het zicht. Ze doen het gezelschap denken aan de beklimmingen die er nog voor de boeg liggen. Het maakt dat daardoor het hartritme wat nerveuzer wordt. Zonder noemenswaardige problemen wordt de geplande middagstop bereikt. Op een parking langs de E 40 te Corswaren presenteert men een halve kip met groenten.  Energie die de deelnemers de komende dagen zeker nog zullen kunnen gebruiken.

Roland heeft die dag een geheim gehouden afspraak met de pechduivel. Al lek gereden in de omgeving van Hoegaarden, verliest hij kort na de middagstart een wieltje van zijn versnellingsapparaat.  Op zijn stappen teruggekeerd vindt hij weliswaar enkele onderdelen terug, maar uiteindelijk ontbreken er toch enkele essentiële stukken. Een effectieve herstelling kan vergeten worden. Instappen in de begeleidende wagen is de enige optie. 

Aan het station van Esneux vinden we de bevoorradingswagen terug. Er is keuze tussen fruit, rijstcrème of honingkoek. Uiteraard wordt er ook sportdrank getankt.

Eens voorbij Esneux staan enkele kuitenbijters op het programma. Ze brengen de fietsers op de hoogte van de komst van de Mont Theux. Een gekende bult bij iedere wielerliefhebber, omdat hij meermaals op de agenda van onze Waalse klassiekers voorkomt.

 

Blijkt uiteindelijk dat er nodeloos zorgen gemaakt werden, omdat de helling mag afgedaald worden i.p.v. opgereden.  Pech echter voor diegenen die dachten dat ze het voor de eerste dag gehad hebben. Overnachtingplaats “Hotel Sol Cress” ligt namelijk boven op de 1,5 km lange klim van Anette et Lubin. In de jaren zestig meermaals een scherprechter in de finale van de Waalse Pijl. Toen wel nog met Spa nog als aankomstplaats.  Na het avondmaal wordt tijd uitgetrokken om het materiaal onder handen te nemen en eventueel wat herstellingen uit te voeren.  Jos Van Herck, een medefietser en gelegenheidsmecanicien, kan ter plekke een versnellingswieltje te voorschijn toveren en Roland uit de nood (?) helpen.

Als gevolg van zijn valpartij op de Groenplaats dient medefietser Justin ’s avonds een “echte” dokter in de geneeskunde te raadplegen. Het medisch verdict luidt: spierscheur in de linker bovenarm.

Voor hem eindigt de Venetiëtocht al bij de eerste dag.

 

Dag 2.

Wanneer we ’s anderendaags om half zeven het bed uit moeten liggen de omliggende bossen nog onder de ochtendnevel. Reisleider François is echter een plichtbewust man en geeft om acht uur het startsein voor de tweede strijddag.

 

 

 

 

Wie Spa buitenrijdt richting Francorchamps dient de Côte de Malchamps op zijn bord te nemen.  Die helling brengt U van op 260 meters – de hoogte waarop Spa ligt - naar een top van 568 meters.  Boven de côte is de nevel nog niet opgetrokken en wordt het mistige landschap ingedoken. Burgers van diverse nationaliteiten kruisen ons peloton. Blijkt dat ze de dag voordien de “Formule I wedstrijd” van Francorchamps hebben bijgewoond. 

Via de beruchte Haute Levée wordt afgedaald naar Stavelot. Het uitfietsen van het stadje gebeurd via de achterzijde van de Côte de Wanne. Langs wegen die we nog herinneren uit de periode dat er met het toenmalige S.V. Kontich een vierdaagse naar Kelmis georganiseerd werd, bereiken we de Oostkantons. Aan de kerk van Maspelt wordt soelaas gevonden om even te verpozen.  We vermelden hierbij dat Roland weer twee keer van de fiets moest wegens lekke banden. Blijkbaar zijn de nieuw aangekochte CX-banden niet bestand tegen het natte wegdek, of is het misschien zo, dat iemand die slecht rijdt gemakkelijk pech heeft.

Na een stukje Duitse Eifel, wordt de Luxemburgse landsgrens overgestoken en Vianden binnengedoken. Tijdens de middagstop die er gemaakt wordt begint het licht te regenen. Op het eerste zicht geen goed vooruitzicht voor de verdere rit.

 

Na de herstart wordt haasje overgespeeld met de Duitse en Luxemburgse oever van de Sûre.  Op de Luxemburgse kant is het uit met het gedruppel. Een fikse stortbui wordt over de fietsende hoofden gekieperd. Dat is niet alleen pech omdat er niemand graag in pletsende regen rijdt, maar ook omdat daardoor een groot deel van de pracht van het Müllerthal verloren gaat.  Gelukkig klaart het na een poosje op, zodat de laatste 40 km door het Letzemburgse “Klein Zwitserland” nog droog kan afgehaspeld worden. 

In Wormeldange kruist de groep de Moezel om weer Duitsland binnen te rijden. 

Dat de parkoersbouwers dun diploma “sadisme” met grote onderscheiding behaald hebben is meteen geweten.

 

Het hotel te Trassem ligt immers op een helling van circa 5 km. en net zoals de eerste dag krijgt de groep er bovenop nog een twintigtal kilometer ‘cadeau’. De remmen worden dus pas na, om en bij de 180 km. dichtgetrokken.

Dag 3.

De derde dag moet een overgangsrit worden.  Dat de deelnemers op fietsvakantie zijn, wordt in de praktijk gebracht met een stadsbezoek aan Saarburg, waar de Leukbach midden in de stad een waterval maakt van 6 à 7 meter.  Meteen een prachtige gelegenheid voor Rolands vrouwtje Liesbeth, om wat beeldmateriaal te verzamelen voor het archief.  

Na een lange beklimming naar het Zerfer Hochwald, volgt een afdaling waarbij het volop genieten is van het uitzicht en de zon. De rust en de relaxe manier van rijden wordt echter verstoord door pech van Eddy. Hollanders blijven niet graag achter bij Belgen en dus laat hij, zoals Roland, eveneens een stuk van zijn versnellingsapparaat achter op de straat. De begeleidende wagen van Fons is dus weer een passagier rijker. Even later valt echter een frank: waarom Eddy niet met de reserve fiets van Cyriel laten verder rijden? Geen slecht idee blijkt, want pas enkele dagen later kan Eddy’s fiets hersteld worden. Pas dan is begeleidster Rita uit Vlaanderen teruggekeerd met een nieuw versnellingsapparaat.

Alsof de wet van Murphy er mee gemoeid is, vergist Cyriel zich in Tholey van weg. Een vijftal kilometer verder merkt Fons dat op. Via GSM wordt contact gemaakt met de fouragewagen die ons natuurlijk daardoor op een verkeerde plaats staat op te wachten. 

 

Met de kaart in de hand wordt een nieuwe stop afgesproken. Enfin, het komt goed en de spirelli met ei of met tonijn die op het menu staan doen het incident vergeten.

Kort na de middag passeren we Sankt Wendel, waar Filip Meirhaege zich al eens de beste toonde in een Wereldbekerwedstrijd Mountainbike.  Onder een weldoend zonnetje trekken we verder richting dagbestemming Pirmasens. Natuurlijk niet zonder de dagelijkse eindklim van 6 km..  In het hotel aangekomen vraagt eega Liesbeth laconiek aan Roland;” hoe komt toch dat jullie zo zweten?” Ze beweert van op de passagierszetel van de volgwagen heeft de lange helling  niet eens opgemerkt te hebben. Vraag is: doet ze maar alsof, of wil ze ons wat jennen? Ze moest ze “dedju” zelf eens opgefietst zijn, ze zou wel anders piepen.

 

Voor en na het eten blijft er wat tijd om even  rustig in de stad te kuieren en onze cultuur bij te schaven. Ook dat heeft de mens in de wielertoerist af en toe eens nodig.

Dag 4.

Eén actieve rustdag was voldoende vonden de parkoersontwerpers. We verlaten ’s anderendaags   Pirmasens en trekken het rustige Pfalz in. Hier is er nog natuur in overvloed. Bossen die geen rekening houden met landsgrenzen en waardoor kris kras wegen getrokken zijn die ons ongemerkt op Frans grondgebied brengen. We krijgen dat door, omdat de wegsignalisatie verandert is. Op Frans grondgebied ligt de Col du Pfaffenschick. te wachten? Een helling van 5 km. waarbij een hoogteverschil van om en bij de 200 meters dient verteert te worden.  Een eerste mogelijkheid voor de klimmers om hun kunnen te tonen en de pikorde aan de bak van het “kippenhok” te bepalen. Luc trekt meteen al de registers van zijn accordeon open. Roland, een al wat bezadigder “oude haan” rijdt daarentegen op eigen tempo met de bus naar boven. 

Na de afdaling wordt het Forêt de Hagenau ingedoken, waar er via een Route Forestière bij de “Gros Chêne” gekomen wordt. (Moeten er nog bossen zijn?)  Tijd om te lunchen: deze keer koude schotel met brood.

In de buurt van Rheinau wordt de Rijn overgestoken. Een tiental kilometer op Duitse bodem maken we kennis met “zwijnerei.”

Hedwig en Chris willen de straat van te kortbij zien. Roland, die tussen hen in rijdt, kan het vallend duo nog nipt vermijden. “De tourdokter” stelt bij Hedwig enkele oppervlakkige schaafwonden vast. Principieel geen beletsel om zijn plaats in het peloton terug in te nemen. Voor Chris is de Venetië-trip echter ten einde.  GEnkele g Hedwig komss?palenen en dus : waarom Eddy niet met de reserve fiets van de Cyriel laten verder rijden?ekneusde ribben zijn geen lachertje voor diegenen die het nog niet moesten weten. Met haar verdwijnt 1/3 van de vrouwelijke deelnemers in de volgwagen. Na de middagstop wacht de zwaarste helling van de dag. Er moet naar een hoogte van 697 meters geklommen worden. De top ligt aan de ruines van het uit 1192 daterende Allerheiligen Klooster.

 

In de afdaling wordt even halt gehouden aan de watervallen van de Lierbach. Het uitzicht loont de moeite, met zijn 7 cascades die een totale val maken van circa 100 meters.

In “Gasthof Krone” staan de frisse pinten op ons te wachten. Het onthaal steekt schril af met het humeur van de uitbaters.

 

Die zien weliswaar graag de centen van ‘die Belgier’, maar wensen voor de rest zo weinig mogelijk kosten te doen. Het eten is er met een maatbeker gemeten en ook de vriendelijkheid van de ‘gastvrouw’ dateert uit het midden van vorige eeuw.  Wanneer bij het ontbijt blijkt dat we meer boterhammen verzetten dan ze voorzien hadden, presteert de dame het zelfs, diepgevroren brood te serveren. Wielertoeristen kunnen wel wat verdragen, maar “trop is trop”. Nietwaar mijnheer Van den Boeynants.

Omdat er in het voorziene Gasthof een kamer te kort was, worden Liesbeth en Roland enkele honderden meter verder gelogeerd. En wij die dachten dat vrouwen en een renner tijdens de “Ronde” niet te verzoenen was. Alleszins bracht ons koppel er een rustige – nu ja – nacht door, maar moest het voor de maaltijden naar Gasthof Krone wandelen.

Het is zonder spijt dat de groep Oppenau achter zich laat. Spijt zou er later op de dag nog wel komen. Vertrokken in wat motregen, gaan de hemelse sluisdeuren volledig open voor de rit doorheen het zuidelijke deel van het Zwarte Woud. Wie wat bekend is in die regio weet dat er een vlakke weg nog dient uitgevonden. De hele rit is een opeenvolging van steile en nog steilere hellingen.  Waren de toppen de vorige dagen rond de 700 m., dan flirten we nu reeds met de 1000 meters.

Het moreel van onze Roland, is door de samenloop van het weer, het parkoers en de pech (reeds 5 keer lek) tot beneden het vriespunt gedaald.

 

Met gemengde gevoelens wordt dan ook na 150 km. Aeule bereikt. Een gehucht gelegen op een vijftal kilometer van de Schuchsee.  Wat bij mooi weer een prachtige rit had moeten worden, in een zeer aantrekkelijke toeristische streek, is figuurlijk een uitgeregende strontdag geworden. 

Berggasthof Rössle, bij Frau Lore, is zeker niet de comfortabelste overnachtingplaats – met voor sommigen sanitair en douche op de gang – maar de lekkere ‘boerenkeuken’ en de gezellige sfeer maken veel goed. Ook het feit dat de kamers meer dan behoorlijk verwarmd zijn, doet de geesteskracht terug snel stijgen. Zo goed zelfs dat sommigen er ’s avonds (of was het al nacht) moeite mee hebben om onder het dons te kruipen en ’s morgens nog meer moeite moeten doen om er vanonder te komen.

Dag 5.

De volgende ochtend is de hemel opengetrokken, maar het blijft redelijk fris.  Het peloton komt echter snel op temperatuur want bij het buiten rijden van Aeule ligt er al een 2 km. lange helling te wachten.  Eenmaal deze kaap gerond gaat het richting Sankt Blasien, waar de kerk van de Benedictijnenabdij met haar prachtige koepel te bewonderen valt. 

Een tweede toeristische stop wordt gemaakt aan de Rheinfall in Schaffhausen.  Over een breedte van 150 meters stort de Rijn hier 600 m³ water per seconde 23 meter dieper.

Via een onooglijke grensovergang rijden we in Flurlingen – Zwitserland - binnen.  Deze passage in de  noord-oost hoek van Helvetia is redelijk vlak, zodat er uitgebreid kan genoten worden, van een landschap onder een blakende zon.

Dat de Zwitsers ook aan de fietsers denken valt ons op, wanneer het fietspad afwijkt van de hoofdweg en de groep dwars door weiden en de natuur voert. 

Het is een prachtige ervaring midden dit groene landschap te mogen fietsen. Na de middagsiësta in Fischingen wordt het peloton terug met de neus op de feiten (=hellingen) gedrukt. De laatste 30 km. dienen zich zwaar aan. Er worden immers een drietal “knoerten” om U tegen te zeggen voorgeschoteld. Zijn de eerste twee nog van een kaliber dat we vooraf al eens geschat en gewogen hebben, dan is de beklimming naar de overnachtingplaats Hemberg buiten categorie. Over een afstand van 3,5 km. dient een hoogteverschil van 260 meters overwonnen te worden: werkelijk een MUUR.

Boven gekomen wacht er een verassing; De plaatselijke Toeristische Dienst heeft een receptie georganiseerd met drank en diverse snacks.  Een mooie en geapprecieerde attentie.

 

De deelnemers worden in diverse hotels ondergebracht. De mannen van onze K.S.V.-ploeg worden gelogeerd in een door nonnetjes geleid Heim. In het logies zijn enkel niet-alcoholische dranken en hosties te verkrijgen. Alcoholarme Clausthaler dient er als dorstlesser. Opmerkelijk is, dat  de dranken in zelfbediening zijn en iedereen zijne “poef” zelf maar in een doosje moet steken. 

Dag 6.

Nog ruikend naar de wierook  vertrekken onze mensen de volgende dag onder een miezerige hemel. Al na een drietal kilometers begint het dagelijks klimwerk. In de afdaling komen we op een grotere drukkere weg terecht. De enige oplossing om accidenten met het achterliggend verkeer te vermijden is op één rij fietsen. In de regen onder het opspattend water van de voorganger, zijn er naar onze bescheiden mening andere zaken die deze wereld gezelliger kunnen maken. De geprogrammeerde helling naar Wildhaus blijkt in de praktijk een zeer lange maar matige klim te zijn. Hij wordt dan ook in groep genomen.

Door de weersomstandigheden blijkt er een flinke achterstand op het uurschema opgelopen. Daarom wordt de klim naar het kasteel van Vaduz letterlijk links gelaten. 

Wie Vaduz noemd, zegt uiteraard Liechtenstein. Het is het zesde land dat onze fietsende deelnemers aandoen.

 

Voorbij Landquart wijst de wegwijzer naar een fietspad richting Klosters en Davos.  De eerste kilometers blijkt dit een rustige en een mooi aangelegde weg te zijn. Nadien gaat hij echter over in een grindpad, waar op de koop toe elke wegwijzer blijkt te ontbreken. Raar maar waar, in totaal dient er circa 3 km. op grind gefietst en toch worden er geen lekke banden genoteerd. Zelfs Roland (intussen aan bandbreuk zes, - en zowel de voorste als achterste buitenband vervangen) kan deze keer de luchtkamers ongeschonden houden.

Op het perron van het houten stationnetje van Jenaz staat het Dockx-busje met ravitaillering te wachten. Er staat ravioli op het menu. Calorieën die stilaan hoog nodig blijken te zijn. Als toetje worden de lachbekken bediend. Wanneer de conducteur van een trein het vertreksein wil blazen, is wegkapitein Louis hem voor. Dat brengt de Zwitserse treinkapitein even uit zijn lood, maar wanneer hij de groep opmerkt, zet hij een “big smile” op.

 

Na de stop staat er nog één serieuze karwei op het schema. Met circa dertigtal kilometers te gaan, dient er nog circa 1000 m. hoogteverschil genomen, alvorens in Davos aan te komen. Omdat er in berggebieden uiteraard weinig of geen alternatieve wegen zijn, dient de drukke N 28 gevolgd te worden, hetgeen tot een aanzienlijke verkeersopstopping achter het fietsend lint leidt. Het is zelfs zo erg, dat de volgwagens problemen krijgen met de Gendarmerie Nationale.  

Hoe hoger de klim hoe slechter het weer wordt. Miezerig wordt motregen, motregen wordt regen in samenbundeling met mist. Een 5-tal kilometer voor Davos bereiken we de top aan de Davoser See en begint de duik richting hotel.

“Surprise:” bij aankomst aan het driesterrenhotel staat het personeel de deelnemers op te wachten met champagne (!)  Als er iets is dat voorzitter Roland niet kan weigeren is het deze bubbelende drank. In Davos zullen ze dat nadien ook wel geweten hebben. 

We vernemen er, en vermelden het ook in ons dagboek, dat er een paar maanden voordien een groep Belgen, (vermoedelijk dokters) in dit hotel logeerden en er vertrokken zonder hun rekeningen te betalen. Ook een Zwitserse ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen. Reisleider François dient daarom met zijn Zwitserse Franken boven te komen, voordat de kamers kunnen betrokken worden. 

 

De twee komende bergritten buiten beschouwing gelaten, was deze rit met zijn 130 km. de kortste op het programma. De groep liep daardoor reeds voor 16 uur binnen.

Voor het vrouwvolk spijtig, maar de Zwitserse winkels sluiten ’s zaterdags vrij vroeg. Het blijft dus bij window-shopping.  Uiteraard is ook het klamme weer niet uitnodigend om de stad te verkennen, zodat snel weer de warme kamer wordt opgezocht.

De eerste dag schiep God het licht. De tweede …..  en de zevende dag rustte “Hij.” Spijtig genoeg gaat deze regel niet op voor de deelnemers aan onze Venetië trip. Om 8 uur wordt worden de fietsen weer richting Italië gericht. 

Op het pad tussen Davos en Prad am Stilfjerjoch liggen 94 km. en twee toppen van meer dan 2000m.  Het verhaal van deze rit is voor onze zwaluwen dan ook snel samengevat. Luc kan zich uitleven en uit Roland verdwijnt (bijna) alle leven. Het weer op de Flüelapass (2383 m.) is identiek als dat van de dag voordien, ttz. mistig en fris. Eenmaal de top gepasseerd, breekt de zon door en kan er terug in zomertenue gepeddeld worden.  De eerste en de laatste kilometers van de 22 km lange Ofenpass (2149 m.) zijn zeer zwaar. Tussenin ligt er een plateau en er komt zelfs een heuse afdaling.  Boven op de Pass staan er hotdogs op het lunchmenu, met als garnituur ketchup of mosterd. Leuk voor de uitlaatpijp indien U het ons vraagt.

Voor de afdaling zijn er geen afspraken gemaakt. Ze verloopt dan ook nogal verward. Een groep fietst recht naar Prad, terwijl een andere halt houdt in Müstair.

 

Er zijn daar immers muurschilderingen in de kloosterkerk te bewonderen, die dateren van om en bij het jaar onzes Heren 800. (Voor de cultuurminnende lezers, ze zijn trouwens door UNESCO beschermd ) 

Bij het overschrijden van de Italiaanse grens hebben we reeds een angstige blik op de berglucht geworpen. Niet ten onrechte want plotseling keert het weer en groep 2 krijgt een fikse bergbui op de nek.  Gelukkig is het maar van korte duur, zodat na het inchecken in Gasthof Stern en een deugddoend bad er nog kan “ge-terrast” worden voor het aperitief.

 

Dag 8.

Maandag = Stelviodag.  Tijdens het avondmaal wordt afgesproken dat de niet-klimmers om 8u30 zouden vertrekken. (Prijsvraag: wie zou daar van het K.S.V.-duo kunnen bijhoren?) Om te vermijden dat ze boven te lang zouden moeten wachten, zullen de klimmers daarentegen om en bij de 30 minuten later starten.  Wanneer voorzitter Roland om kwart na acht het hotel verlaat staan en welgeteld nog 4 cyclo’s (waaronder zwaluw Luc) te wachten. De anderen van het gezelschap zijn reeds vertrokken richting Stilfjerjoch. 

 

 

De oudste overgang tussen Prad en Worms (het huidige Bormio) verliep over Stilfs en het Wormser Joch (Nu Umbrailpass).  De huidige pas werd uitgetekend door Carl Donegani. De werken duurden van 1820 tot 1825.  Van Prad (915 m.) krijgen we reeds een voorsmaakje van 10 % langs de Sildenbaches naar het dorpje Stilfs met zijn spits kerktorentje.  Na 4,5 km. bereiken we Stilfjesbrucke (1150 m.).  Na 10 km in Trafoi (1543 m.) wordt het terug steiler.  Vanaf Weissen Knott (1873 m) volgen nog 4 passages van 15 % tot Franzenhöge (2188m)  Na 21 “kehren” bereikt iedereen de Stilfjerjoch (Stelvio)-top op 2737 m.. Was Luc nog droog boven, dan dienen Roland en Herman als hekkensluiters de laatste kilometers in een opkomende sneeuwstorm te rijden .

 

 

Boven is er een warme maaltijd in een restaurant voorzien, een goede remedie om op positieven te komen.  Aan het monument van Fausto Coppi worden de camera’s bovengehaald en uitgebreid foto’s genomen. Ze zullen later in de reisreportage opgenomen worden en laten we eerlijk zijn, ze strelen  een beetje de ijdelheid. 

Na de afdaling die ons gezelschap in Bormio brengt, wordt de richting van de Gaviapas ingeslagen.

Het is niet alleen is één der roemruchtste Giro-cols, maar tevens één der moeilijkste bergwegen in Noord-Italië.  Hij vormt de verbinding tussen Bormio en Ponte de Lengo.  In de Eerste Wereldoorlog, toen gedurende jaren achtereen het toenmalige Oostenrijkse-Italiaanse grensgebied het toneel was van een felle strijd, legden de Italianen deze pasweg aan.  Het 25 km lange weggedeelte tussen Santa Caterina Valfurva aan de noordzijde en Santa Apollonia aan de zuidzijde kent lange stijgingen tot maximum 16% en veel scherpe en korte, weinig overzichtelijke bochten.

 

Van bij de eerste hellingen voelt Roland dat het met de benen niet snor zit. Luc die bij zijn “kopman” (?) is gebleven, verleent hem niet alleen hand en spandiensten, maar geeft vooral morele steun. Het mag echter niet baten. Een vijftal kilometer voor de top dient Roland voet aan de grond te zetten. Hij vraagt Luc om verder te fietsen en aan een volgwagen te vragen om hem te komen oppikken. Boven op de top is het intussen aan het sneeuwen gegaan. Gelukkig kan er geschuild worden in de refuge.

In winterkledij wordt de duik naar het dal aangevat. Omdat de afdaling zelfs bij een goed liggend wegdek al zeer gevaarlijk is, wordt iedereen goed ingeprent om uiterst voorzichtig te zijn.

Na de hergroepering beneden, is het nog enkele kilometers tot in Ponte de Lengo waar we in Hotel Bellavista neerstrijken.

Stond het hotel in Davos met drie sterren gequoteerd, dan stellen we ons toch vragen, hoe dit hotel aan zijn drie sterren is geraakt. Ons inziens moet het waarschijnlijk met de bouw begonnen zijn kort na de bouw van de Gavia zelf. Wanneer blijkt dat er onvoldoende aardappelen voor alle tafels zijn, worden witte bonen opgediend, met als Italiaanse toelichting ‘Patate’.  Terugdenkend aan de inspanningen van beide vorige dagen wordt deze keer snel tussen de lakens gekropen.

Dag 9.

 

 

Na de nachtrust wordt van start gegaan voor de voorlaatste rit. Blijkt dat de thermometer op dat onzalig uur blijft hangen op 5° Celsius.  De lichaamstemperatuur stijgt echter snel, omdat onmiddellijk de Passo del Tonale voor de wielen geschoven wordt. Indien ge het nog niet moest weten, een hoogteverschil van ruim 600 meters voor een klim van 11 km is niet van de poes. De beklimming van de tweede hindernis die na 37 km voorgeschoteld wordt is het nog minder. Om de top van de Passo Campo Carlo Magno te bereiken dient er immers 15 km gezweet om 900 meters hoger te komen.  Na het middagmaal, boven op de Passo, wordt het mondaine skioord Madonna di Campiglio doorkruist.  Waarna we afdalen en  een tijdje in de vallei blijven fietsen.

 

De sadistische trekjes van de parkoersbouwers zijn intussen genoegzaam bekend. Ze hebben die dag nog 2 zure oprispingen in petto. De eerste krijgen we in Fisto waar linksaf gegaan wordt richting Montagne. Het plaatsje ligt 8 km. verder maar ook wel bijna 800 m. hoger. Tijdens de klim is er geen enkele mogelijkheid tot recuperatie, het is alles geven van de eerste tot de laatste meter. Boven tellen we dan ook een aantal levende lijken. Ze zijn niet alleen gekraakt door het parkoers maar bovendien ook afgemaakt door de warmte, die intussen kort tegen de 30° C. aangelopen is.  Het eerste wat Roland voorstelt wanneer hij bovenkomt, is de oprichting van een vakbond voor afgepeigerde wielertoeristen.

 

Hij moet echter vaststellen de solidariteit met de betere klimmers ver te zoeken is.  Clubmaat Luc heeft wel oren naar zijn voorstel. 

Intussen heeft hij wel een ander idee gekregen van de term “fietsvakantie”.

De afdaling leidt ons terug naar de vallei die doorkruist werd voor de klim. We rijden nu evenwel richting Trento dat zich situeert op 19 km. van onze overnachtingplaats.

Opnieuw wordt er een scheut S.M. geserveerd. Via een ommetje gaat het naar de top van de Monte Bondone. Die piek ligt 25 km. verder, maar ook meer dan 1300 m hoger.  Is Roland op de Montagne-klim al een eerste keer gestorven, dan dient de beker nu tot op de bodem geledigd. Door dit ‘ommetje’ is het reeds valavond als we in Trento binnenrijden en wordt het avondmaal geserveerd om 21 uur.  Dus snel na het eten onder de wol, voor de laatste nacht van ons einddoel.

Dag 10.

De laatste rit kan onderverdeeld worden in twee luiken.  In de voormiddagrit liggen er nog twee moeilijkheden. De eerste bij het buitenrijden van Trento, waar een hoogteverschil van 500 meters dient overwonnen over een afstand van 15 km. Van een ander kaliber is de Passo di Vezzena waarbij opnieuw 1000 m hoogteverschil voor de wielen liggen. Roland, die de jongste dagen zijn batterijen volledig heeft leeggeschraapt, heeft geen enkele reserve meer. Deze Passo is er te veel aan. Hij dient op ongeveer 4 km. van de top de volgwagen op te zoeken.

 

Na het middag duikt de karavaan spectaculair naar de vlakte. Vanaf Bassano di Grappa dient nog bijna 70 km. gefietst over drukke wegen richting Venetië.  In de buurt van Mestre staan twee motoragenten ons gevolg op te wachten om ze door het verkeersmierennest te gidsen.

Bij het naderen van de Ponte di Liberta, een brug die het vasteland verbindt met de Dogenstad, stijgt de adrenaline tot bijna 100 %.  In Venetië escorteren de motards ons richting Grenspolitie waar de fietstocht besloten wordt. De agenten – vermoedelijk onder de indruk van zoveel sportieve capaciteiten – stellen voor onze fietsen in ‘verzekerde bewaring’ te nemen.  In een vrijstaand lokaal worden de fietsen gestald en met een hek afgesloten om te beletten dat gretige vingers ze tot de hunne zouden maken. 

 

 

 

 

 

Ook onze volgwagens krijgen een veilige parkeerplaats binnen de terreinen van de politiekazerne. En daar staan we dan circa 1 km van ons hotel. Ieder een aanzienlijke hoeveelheid bagage. 

Geen probleem, een politieboot brengt de oplossing en in kleine groepjes van 6 à 7 worden we overgebracht naar de kade aan het spoorwegstation. Van hieruit is het hotel gemakkelijk te voet te bereiken.

Dag 11 en 12.

Op donderdag en vrijdag staan er geen verplichtingen in op de agenda. Iedereen is dus vrij zijn tijd te benutten en om eventueel de stad en de omgeving te verkennen. Naar goeddunken wordt in groepjes de vrije tijd ingevuld. We merken op dat niemand de Ponte Rialto of het San Marco-plein overslaat. Maar dat is dan ook een must voor iedere Venetië toerist.

 

 

Meerderen van het gezelschap verkennen de Dogenstad ook van op het water. Zij die minder  “Italiaanse Lires” wensen te besteden nemen hiervoor de tram-boot “Vaporetto”. Anderen doen het wat romantischer met de gondel. Hoe dan ook, iedereen is het er over eens, het loont de moeite.

Besluit:

Zowel als groep, dan als individu was de tocht een fantastische belevenis. Iedereen verkende op een bepaald ogenblik wel eens de grenzen van zijn fysieke mogelijkheden. Maar ook krijg je bij een dergelijk tocht te maken met psychische krachten, waarvan je soms geen vermoeden hebt. 

Dag 13.

Arrividerci Venetië.